Wetgeving Financieel Toetsingskader naar de Raad van State

Het kabinet stuurt het wetsvoorstel, om het Financieel Toetsingskader (FTK) voor de pensioenen te verbeteren, naar de Raad van State voor advies. De verbeteringen zijn nodig, omdat de economische crisis tekortkomingen heeft blootgelegd en het vertrouwen van de Nederlandse pensioendeelnemers in hun pensioenvoorziening heeft verkleind.

Betere borging pensioenvermogen
De verbeteringen in het voorstel voor het aangepaste FTK moeten het pensioen minder gevoelig maken voor grote schokken op de financiële markten. Financiële mee- en tegenvallers moeten gelijkmatiger over de tijd worden gespreid. En er ook voor zorgen dat risico’s en rendementen eerlijk over de generaties worden verdeeld. Pensioenfondsen kunnen met het aangepaste FTK een beleggingsbeleid voeren dat is gericht op het realiseren van een geïndexeerd pensioen. Daarnaast wordt het afspreken van een stabiele premie mogelijk gemaakt, zoals bedoeld in het Pensioenakkoord van sociale partners. Tot slot zorgt dit wetsvoorstel (is althans de gedachte) van staatssecretaris Klijnsma van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor een betere borging van het opgebouwde pensioenvermogen voor alle deelnemers.

Wij schetsen nog even kort de geschiedenis van de Nederlandse pensioenen en pensioenfondsen. In de jaren 50 van de vorige eeuw zijn veel z.g. bedrijfstakpensioenfondsen opgericht met het idee om concurrentie op pensioen binnen de bedrijfstak tegen te gaan, en tevens voor deelnemers die hun hele carrière in de bedrijfstak doorbrengen een eenduidige regeling te maken. Veelal werden deze regelingen op bedrijfstak niveau tussen werkgevers- en werknemersorganisaties afgesproken en vervolgens wettelijk verplicht gesteld. Het bestuur van de pensioenfondsen werd gelijk verdeeld over werkgevers en werknemers en heeft aldus tientallen jaren voortreffelijk gewerkt. De regelingen bestaan voor het overgrote deel uit z.g. defined benefitsregelingen, beter bekend als middelloon. Kenmerk hiervan is dat de deelnemer recht heeft op een vaststaand pensioen uitgedrukt in Euro’s, en dat betekend dat het rendementsrisico dus bij de werkgevers ligt.

De klad kwam er in toen de behoefte ontstond om als gevolg van successen op de beurs veel meer te gaan beleggen in risicovolle beleggingen die als kenmerk hebben dat hun waarden behoorlijk kunnen fluctueren. Werkgevers hadden daar belang bij, immers meer rendement betekend minder premie inleg, maar ook werknemers hebben dat belang want de eigen bijdrage wordt minder als de premie lager wordt. En blijft er meer te besteden over.

Toen de crisis kwam ging vervolgens de beurs onderuit, kwamen als gevolg daarvan de dekkingsgraden onder druk. De oplopende levensverwachting deed de rest. Die factor levensverwachting heeft overigens een veel grotere impact dan de beleggingsproblematiek op de dekkingsgraden.

Het verbeterde financieel toetsingskader
Bij de uitwerking van het Financieel Toetsingskader in wetgeving zijn de volgende aanpassingen gedaan:
- Bij tegenvallers door bijvoorbeeld financiële schokken op de beurs, of een verdere stijging van de levensverwachting, geldt dat pensioenfondsen direct maatregelen moeten nemen. Ze mogen niet meer wachten (met korten tot het einde van de herstelperiode.) Daarentegen mogen maatregelen wel over tien jaar worden gespreid. Hiermee worden financiële tegenvallers beter gespreid en voorkomen dat de aanvullende pensioenen abrupt worden gekort.

Onze mening: Hiermee wordt de wetgeving zodanig aangepast dat de deelnemer evenveel krijgt dan wel kwijtraakt als nu maar dit minder schoksgewijs ervaart. Dat zal zeker rust brengen maar verandert de situatie in onze ogen niet.

- Pensioenfondsen moeten vooraf expliciet duidelijk maken welke maatregelen worden genomen als de dekkingsgraad te veel daalt.

Onze mening: De flexibiliteit van het systeem wordt vergroot. Pensioenfondsen kunnen hun beleggingsbeleid aanpassen naar behoefte (van hun deelnemers). Eventuele tegenvallers worden vanaf nu tevoren afgesproken manier doorberekend naar de deelnemers.

- Er worden duidelijke verdeelregels geïntroduceerd voor de indexatie van pensioenen. Deze regels zorgen ervoor dat de indexatie op een evenwichtige manier over de generaties wordt toegekend en dat geen disproportionele herverdelingseffecten optreden. Financiële meevallers kunnen hierdoor niet vroegtijdig worden uitgedeeld.

Onze mening: Vast staat dat de reserves niet overhouden bij veel pensioenfondse, en naar mate wij er in slagen gemiddeld langer te leven worden de problemen groter.. Bepaald moet gaan worden wie er gekort gaat worden, waarbij de generatie discussie nu al leidend is. Omgekeerd kunnen meevallers niet direct verdeeld worden. Dat is het kleinste deel van het probleem.

- Er komt een stabiele, kostendekkende premie. Het blijft mogelijk om de premie te dempen naar een tien jaars rente middeling of naar een verwacht rendement. Aan het rekenen met verwacht rendement wordt een aantal voorwaarden verbonden. Zo moeten pensioenfondsen de indexatie in de premie meefinancieren. Het behouden van de dempingsmogelijkheden maakt een stabiele premie mogelijk. Dit is van belang voor de loonkosten en voor de koopkracht.

Onze mening: Een stabiele kostendekkende premie is uiteraard bittere noodzaak voor alle partijen, pensioenfondsen, werkgevers en werknemers. Een van de bepalende factoren daarin is zoals  hierboven uitgelegd het rendement dat nu dus (weer) over 10 jaar mag worden gemiddeld  vgls. nog te bepalen regels. Niet onbelangrijk daarbij is dat eerder al tussen de betrokken partijen  vastgesteld werd dat de maximale premiehoogte  al bereikt hebben.

- De afhankelijkheid van dagkoersen op financiële markten vermindert. Er komt een robuust sturingsinstrumentarium dat beter past bij een stelsel dat zich richt op de lange termijn. Zo wordt in de toezichtregels uitgegaan van een twaalfmaandgemiddelde van de dekkingsgraad. Het kabinet zal met de sector in overleg gaan over de vraag hoe tegemoet kan worden gekomen aan de wens om binnen het wettelijke kader voor beschikbare premieregelingen het collectief delen van risico’s mogelijk te maken.

Onze mening: En in de laatste zin zit de crux. Want de conclusie die getrokken moet worden is dat het huidige systeem geen stand kan houden en dat heeft nog al wat consequenties. Waar klemt het dan?

Om te beginnen kennen we heel veel verplichte deelnemingen voor zowel werkgevers als werknemers. Vanuit de start van het systeem was dit legitiem, doch in de wereld van vandaag zijn deelnemers die hun hele carrière in een bedrijfstak doorbrengen redelijk zeldzaam. Ook de concurrentie komt veelal niet meer uit Nederland zelf maar uit alle delen van de wereld, waar andere regels gelden. Kortom de verplichte deelneming knelt. En niet alleen daarom, want als een pensioenfonds een bepaald beleggingsbeleid kiest, met bijbehorende risico’s en eventuele kortingen hoeft dat helemaal niet te passen in de levenscyclus van een deelnemer of werkgever. Dus is er vraag naar individualisering van pensioenen. En dat staat helemaal haaks op de collectieve “draagt elkanders lasten gedacht” van de pensioenfondsen, die vrijwel altijd een dooreen premie uitgedrukt in een % van de loonsom of pensioengrondslag rekenen.

Dan is er nog de z.g. omkeerregel. Pensioenpremies in ons land worden afgetrokken van de belasting en de uitkeringen worden belast. Dat gebeurt in Nederland en in Groot Brittannië maar niet in de rest van de wereld en met name niet in de rest van Europa. Dat laatste is belangrijk want daar wordt de maat genomen van onze economie en onze begrotingstekorten. Onze collectieve hypotheekschuld wordt wel meegeteld, onze pensioenreserves niet. Onze regering is terecht zuinig op ons pensioensysteem, maar zou haar begrotingsprobleem in een klap kunnen oplossen door afschaffing van de omkeerregel. Ze zijn ook al begonnen, want vanaf 1 januari 2015 is de aftrekbaarheid van pensioenpremies voor salarissen boven  € 100.000 vervallen.

En tot slot zijn zowel werkgevers als veel werknemers niet blij met pensioenen waarbij de werknemer een gegarandeerde uitkering krijgt. Een probleem wat met de genoemde beschikbare premieregelingen kan worden opgelost. Weliswaar krijgt de werknemer geen garantie meer op zijn inkomen na pensionering, maar wat is hun waarde als garanties gekort moeten worden zoals nu. Flexibiliteit van pensionering waarbij op enig moment zelf kan worden bepaald wanneer en met hoeveel inkomen het pensioen in kan gaan heeft ook waarde. Werknemers zuchten onder de hoge lasten als gevolg van de aanhoudende zeer lage rentestand en snakken naar calculeerbare kosten voor pensioen.

Dit wetsvoorstel kent dus wel verbeteringen in de uitvoering met name voor pensioenfondsen, maar is toch ook vooral echt polderen om de weg te bereiden voor de keuzes die in de toekomst gemaakt gaan worden. Als u zelf keuzes kunt maken lijkt het erg verstandig hierop te anticiperen, het gaat u op zeker veel (wets)wijzigingen schelen en geld besparen. Geld dat u beter kunt gebruiken om pensioen van te kopen.


« terug naar het nieuwsoverzicht

Mogen wij meedenken met uw uitdaging?